Huidige tijd:0:00Totale duur:4:50
0 energiepunten
Ben je voor een examen aan het leren? Bereid je voor met deze 10 lessen op Decimale getallen.
10 lessen bekijken
Videotranscript
Laten we 0,1 vergelijken met 0,070. Deze 1 staat voor tienden. Hij staat dus voor 1 x 1/10 en dat is natuurlijk hetzelfde als 1/10. Als we nu kijken naar dit getal hier, zien we geen tienden. Het heeft 7 honderdsten Hier staan dus de honderdsten. En er staat niets op de plek van de duizenden. Dus dit is 7 x 1/100 oftewel 7/100. Nu kunnen we deze twee vergelijken. Dat kan op twee manieren. We kunnen van 1/10 honderdsten maken. De makkeijkste manier: om de noemer tien keer zo groot te maken, moet je hetzelfde doen met de teller. Dus ik heb de noemer en de teller vermenigvuldigd met 10. Tien honderdsten is hetzelfde als 1/10. En nu is het duidelijk: 10/100 is meer dan 7/100 Het kan ook anders! Kijk, als je er meer honderdsten van maakt, krijg je 7/100, 8/100, 9/100, en dan kom je op 10/100. Zo kom je op hetzelfde getal als je links ziet. Dus dit getal, hoe je het ook bekijkt, is absoluut groter. Ik schrijf het op. Dit is groter, meer dan. Dit is groter dan dat. Het groter-dan-teken is open aan de kant van het grootste getal. Nu hebben we 0,093 en hier 0,01. Laten we er even over nadenken. Dus deze 9 , ik neem een ander kleurtje, deze 9 staat niet voor tienden of honderdsten. Hij staat voor duizendsten. Hij staat voor duizendsten. En deze drie staat... ik heb bijna geen kleuren meer, Deze 3 staat voor tienduizendsten. Deze 3 staat voor tienduizendsten. Dus hier staat 9/1.000 plus 3/10.000 En als je daar 10.000-sten van wil maken, vermenigvuldig je de 9 en de 1000 met 10. Dus dat wordt 90/10.000. En als je ze optelt, schrijf je dat als 93/10.000 93/10.000 Ik heb altijd moeite met dat -sten aan het einde. En nu dit getal: 0,01. Deze 1 staat op de plek van de honderdsten. De plek van de honderdsten. Hij staat voor 1/100. Hoe kunnen we 1/100 vergelijken met 93/10.000? De makkelijkste manier is 1/100 omzetten naar 10.000-sten. Dan vermenigvuldigen we de noemer en de teller twee keer met 10. Oftwel, we vermenigvuldigen ze allebei met 100. Als je met 10 vermenigvuldigd kom je op 10/1000. Dat is hetzelfde als 1/100. Als je nog een keer met 10 vermenigvuldigd, kom je op 100/10.000 en dat is weer hetzelfde als 1/100. En dat klopt: 100 x 100 = 10.000 Nu is duidelijk dat 100/10.000 oftewel 1/100 is meer dan 93/10.000 Dus dit getal is kleiner dan dit getal hier. Bij het kleiner-dan-teken wijst het kleine einde naar het kleinste getal en het brede einde naar het grote getal. Dat is bij het kleiner-dan-teken en bij het groter-dan-teken. Nu deze: 0,6 en 0,06. Hier heb ik 6 op de plek van de tienden. Dat staat dus voor 6/10. En hier heb ik 6 op de plek van de honderdsten. 6/100 is kleiner dan 6/10. Een honderdste is een tiende van een tiende. Deze wijst voor zichzelf Dit is het grootste getal. 0,6 is groter dan 0,06 En nu 0,3 en 0,06. De 3 staat voor 3/10 en deze 6 staat voor 6/100. Als je ze wil vergelijken kun je bij 3/10 de teller en de noemer vermenigvuldigen met 10 10/10 is in feite 1, het is 1. Dus dit wordt 30/300 3/10 is hetzelfde als 30/100. En 30/100 is veel meer dan 6/100. Dus dit is groter.