Huidige tijd:0:00Totale duur:4:47

Voorbeelden van redactiesommen over het coördinatenvlak

Videotranscript

Milena's stad is gebouwd als een rooster dat op het coördinatenstelsel lijkt. Ze rijdt met haar fiets vanaf haar huis op punt (-3,4) naar het winkelcentrum op punt (-3,-7). Elke eenheid in de grafiek staat voor een stadsblok. Plot de twee punten en vind de afstand tussen Milena's huis en het winkelcentrum. Laten we het proberen, rijdend met haar fiets vanaf haar huis op punt (-3,4). Laten we (-3,4) plotten. Ik zal deze punt gebruiken. Negatief 3 is ons x-coördinaat. We gaan naar de 3, links van oorsprong. Dat geeft ons negatief 3. En positief 4 is ons y-coördinaat. Dus we gaan 4 plekken boven de oorsprong. Of ik zou moeten zeggen, we gaan 4 plekken omhoog. We gingen dus naar negatief 3, of 3 naar links. Dat is (-3,4) Of je kunt zeggen, we gingen naar positief 4, negatief 3. Dit vertelt ons wat we in de horizontale richting deden. Dit vertelt ons wat we in de verticale richting doen. Daar is haar huis. Laten we nu uitzoeken waar het winkelcentrum ligt. Het ligt op punt (-3,-7). Dus negatief 3, we gingen negatief 3. in de horizontale richting. En dan negatief 7 in de verticale richting. We gingen naar (-3,-7). Nu moeten we de afstand vinden tussen haar huis en het winkelcentrum. We zouden het eigenlijk kunnen tellen. Of we kunnen het berekenen. Als we het willen tellen, is het 11 blokken. Dat kunnen we alvast opschrijven. En een andere manier om hier naar te kijken is ze hebben precies dezelfde x-coördinaat. Ze liggen beide op x-coördinaat negatief 3. Het enige verschil tussen deze twee is wat er gebeurt met het y-coördinaat. Dit ligt op positief 4. Dit ligt op negatief 7. Positief 4, negatief 7. We proberen dus de afstand tussen 4 en negatief 7 te vinden. Als ik dus zou zeggen 4 min negatief 7, zouden we deze afstand krijgen. Dus 4 min negatief 7, wat het zelfde is als 4 plus 7, is 11. Laten we er nog een paar doen. Carlos hangt een poster in de oppervlakte van de rode rechthoek. Hij plaatst een spijker in het midden van de blauwe lijn. Plot het punt waar hij de spijker plaatst in een tweede grafiek. Hij wil een spijker plaatsen in het midden van de blauwe lijn. De blauwe lijn is 6 eenheden lang. Het midden is dus hier. Dat is 3 naar rechts, 3 naar links. Hij wil de spijker dus plaatsen op het punt x is 0, y is 4. Hij wil hem plaatsen op x is gelijk aan 0, y is gelijk aan 4. Dat is dit punt. Laten we ons antwoord nakijken. We doen er nog een. Stad A en stad B zijn verbonden door een trein welke een station heeft op punt (-1,3). Dat zie ik. Het spoor is in blauw. Oké. Welke stad ligt, over het spoor, dichter bij het stations Stad A of stad B? Ze vragen dus niet alleen wat hemelsbreed de kortste afstand is. Ze vragen, welke stad ligt het dichtst bij het station, over het spoor? Dus als je het spoor zo zou volgen. Voor A, als je het spoor zou volgen, moet je 6 stappen langs de x-richting en dan 5 langs de y-richting. In totaal zou je 11 stappen moeten. Als je vanaf B vertrekt, ga je 11 stappen langs de x-richting en dan 6 langs de y-richting. In totaal ga je dus 17 stappen. Het is dus vrij duidelijk dat A dichterbij is over het spoor. Je zou het ook kunnen benaderen in termen van coördinaten. Omdat A op (-7,8) ligt. En als je van (-7,8) naar (-1,8) wilt langs het x-coördinaat, moet je 6 stappen zetten. En dan van 8 naar 3, krijg je er nog eens 5 bij. Dus je hoeft het niet verplicht te tellen, je kunt ook nadenken over de coördinaten. Maar op beide manieren vind je dat stad A dichterbij is.