If you're seeing this message, it means we're having trouble loading external resources on our website.

Als je een webfilter hebt, zorg er dan voor dat de domeinen *.kastatic.org en *.kasandbox.org niet geblokkeerd zijn.

Hoofdmenu
Huidige tijd:0:00Totale duur:5:16

Patronen in de tafels van vermenigvuldiging

Videotranscript

Er wordt gevraagd welke getallen de A en B zouden moeten vervangen in de vermenigvuldiging tabel. Laten we eerst bekijken hoe we deze tabel zouden moeten lezen. Je moet er naar kijken alsof.. De tabel gaat door tot de zes. Dus als je wilt weten wat een getal tot en met zes vermenigvuldigd met ander getal tot en met zes is kan je dat in de tabel vinden. Als je bijvoorbeeld wilt weten wat drie maal twee is, dan zeg je: "Oke, drie. Laat ik de rij kiezen met de drie. En dan de kolom met de twee. Dus drie maal twee." Dus als je in deze rij zit, de drie rij, en je zit in de twee kolom drie maal twee is dus deze zes hier. Maar je kan het ook andersom doen. Deze 12 betekent dat drie maal vier 12 is. Of hier, deze 25. Je ziet dat hij in dezelfde rij staat als deze vijf en ook de zelfde kolom als deze vijf. Dus de tabel vertelt je dat vijf maal vijf 25 is. Je ziet dus dat als je in een rij verder telt, dat je steeds dat getal erbij optelt en als je in een kolom verder telt, dat je dan ook dat getal erbij optelt. Dus bijvoorbeeld in deze twee kolom hier tel je steeds twee erbij op. Twee, vier, zes, acht. In deze vijf kolom, tel je steeds vijf erbij op. Vijf, 10, 15, 20. En dat klopt want vijf maal één is vijf. Vijf maal twee is 10. Vijf maal drie is 15. Vijf maal vier is 20. En hetzelfde gebeurt als je een rij volgt. Twee, vier, zes, acht. Want twee maal één is twee. Twee maal twee is vier. Zo ga je steeds door, je telt er twee bij op. Hier tel je er steeds zes bij op. Zes maal één is zes. Zes maal twee is 12. Zes maal drie is 18. Zes maal vier is 24. Duss hopelijk snap je nu hoe de vermenigvuldiging tabel werkt. En het is eigenlijk best gaaf om er naar te blijven kijken en te denken over hoe het werkt. Maar laten we nu de vraag beantwoorden, wat moeten A en B worden? We hebben hier de A staan. Dus een manier om het getal te vinden, is door te bedenken wat vier maal vier is. En je weet misschien dat vier maal vier 16 is. vier maal vier is 16. Een andere manier is om gewoon naar beneden te gaan. in deze kolom en steeds vier erbij op te tellen. Vier, acht, 12 en dan weer vier optellen. 12 plus vier is 16. Laten we nu B bekijken. En laten we het doen op de laatste manier. B staat in deze kolom dus we tellen steeds drie erbij op. Drie, zes, negen. Doe daar drie bij en je krijgt 12. Dus B zou 12 moeten worden. Of je kan vanaf de rij tellen. Dan krijg je vier, acht en dan vier daarbij en je krijgt 12. En dat klopt want waar B staat, moet het antwoord zijn van vier maal drie. Want vier maal drie is 12. Daarna vragen ze om de vergelijkingen compleet te maken met het groter-dan, kleiner-dan of het 'is' symbool. Dus A is groter dan B. Groter dan. En ik onthoud altijd dat het groter-dan symbool open is aan de kant van het linker getal. Het nummer aan de linkerkant is groter dan het symbool is open bij het grotere getal. A is groter dan B want vier maal vier is groter dan vier maal drie. Is groter dan vier maal drie. Oke, vier maal vier is groter dan vier maal drie. Dat is begrijpelijk. Als vier maal vier, vier vieren is en vier maal drie is drie vieren dan heb je hier meer vieren. Dus hopelijk begrijp je dat. Laten we er nog een paar doen. Dus welk getal zou A en B moeten vervangen in de vermenigvuldiging tabel? Dus hetzelfde idee. Dus A is vier maal vijf. Dus A moet 20 worden. Of je kunt kijken in welke rij of kolom hij staat. Als je naar de kolom kijkt is het vijf, 10, 15, 20. Laten we hetzelfde doen met B. B is vijf maal vier. Dus dat is ook 20. Dat moet 20 worden. Dus je kan zeggen: "A moet vier maal vijf worden wat 20 is. En B moet vijf maal vier worden wat 20 is." Dus hoe je er ook naar kijkt, ze zijn hetzelfde. Dus, de vergelijkingen invullen? A is dus gelijk aan B want vier maal vijf is hetzelfde als vijf maal vier. Het maakt niet uit in welke volgorde je ze vermenigvuldigt. Laten we er nog zo een doen. Ik denk dat je het begint te begrijpen. Dus wat moet de A worden? We zien waar hij staat, het is in de rij van de twee en de kolom van de zes. Dus het moet twee keer zes worden. Wat 12 wordt. En je kan ook met zessen optellen. Zes, 12. Of je kan met de tweeën optellen. Twee, vier, zes, acht, 10, 12. Nu B nog, dat wordt zes maal twee. En dat wordt weer 12. Dus het is hetzelfde als de laatste opgave. A is gelijk aan B want twee maal zes is gelijk aan zes maal twee. Laten we er nog één doen, dit is eigenlijk heel erg leuk. Oke, A is vier maal één en we weten dat dat vier is. En B is één maal vier. waarvan we weten dat dat ook vier is. En ik denk dat je het patroon hier wel ziet. A is gelijk aan B want vier maal één is hetzelfde als één maal vier.