Hoofdmenu
Huidige tijd:0:00Totale duur:6:17

Afronden op tientallen en honderdtallen

Videotranscript

We hebben hier vier getallen. Wat ik wil doen is elk getal afronden tot het dichtstbijzijnde honderdtal. Ik raad je aan om de video te pauzeren en het zelf te proberen. Maak twee kolommen. Maak eerst een voor het dichtstbijzijnde tientallen. en de andere voor het dichtstbijzijnde honderdtallen. En begin met 154 Dus 154, welke tiental zit boven 154? Dat is 160. En het tiental onder 154 is 150. We gaan dus naar boven afronden naar 160 of we gaan naar beneden afronden naar 150 Wanneer we gaan afronden naar het dichtstbijzijnde tiental moeten we kijken naar de eenheden. Een plaats naar rechts van het getal wat we af gaan ronden. Dus we kijken naar de 4 bij de eenheden. Omdat 4 kleiner is dan 5, ronden we het af naar 150. Bedenk nu voor hetzelfde getal, hoe je die afrondt naar het dichtstbijzijnde honderdtal. Dus 154 naar het dichtstbijzijnde honderdtal. Dus nu moeten we nadenken als we naar boven afronden, wat is het honderdtal boven 154? 160 is niet een honderdtal. Het honderdtal boven 154 is 200. Wat is het honderdtal onder 154? Dat is dus 100. Dus als we gaan afronden naar het dichtstbijzijnde honderdtal, gaan we kijken naar het honderdtal. We kijken een plek naar rechts van dat, wat de tiental is. Als dat getal 5 of hoger is. Ronden we naar boven af. Is het lager, dan ronden we af naar beneden. Nou is dit duidelijk 5 of hoger, dus we ronden naar boven af. Dit is interessant. Wanneer we afronden naar het dichtstbijzijnde tiental, omdat er een 4 staat bij de eenheden, rondde we naar beneden af. Maar wanneer we afrondden naar het dichtstbijzijnde honderdtal, want we hadden een 5 bij het tiental, ronden we af naar 200. Laten we meer gaan doen. Dit is leuk. Dus 4674. Het tiental daarboven is 4680 Het tiental daaronder is 4670. Bedenk je dat we alleen naar de tientallen kijken. Dus ronden we af naar boven of naar beneden? We denken aan afronden van de tientallen. Dus daarom wordt het een 8 als we naar boven afronden. of een 7 als we naar beneden afronden. Om dat uit te zoeken, kijken we naar de eenheden. Als de eenheid groter is dan 5, gaan we naar boven afronden. Is het kleiner dan 5, ronden we af naar beneden. Het is weer kleiner dan 5, dus ronden we af naar beneden. Laten we hetzelfde getal afronden naar de dichtstbijzijnde honderdtal. Wat in de honderdtal lager dan dit? Nou, het honderdtal wat lager zit, is 4600. Het honderdtal hierboven is 4700. Als we proberen te denken aan afronden naar het dichtstbijzijnde honderdtal. Dan willen we kijken naar het tiental. Het tiental is 5 of hoger, dus ronden we af naar 4700. Probeer nu 9995. En nog een keer, probeer altijd te pauzeren als je dit getal nog niet hebt gedaan. Probeer het zelf. Dus 9995. Wat is het tiental onder het getal? Nou het tiental hieronder is 9990. En wat is het tiental hierboven? Nou als je dit optelt met 10, dan krijg je 10.000. Dus je kan denken. Hey, is dit niet een honderdtal? en eigenlijk is dit een duizendtal het is ook een tienduizendtal. Het is alles, maar het tiental boven 9995 is 10.000. Je hoeft maar een klein beetje toe te voegen om bij 10.000 te komen. Of het tiental onder is duidelijk 9990. 10 meer dan dat geeft je 10.000. Dus, hoe rond je dit af? Nou, we beginnen weer met afronden naar de dichtstbijzijnde tiental. We kijken naar de eenheden. De eenheid is 5 of hoger, dus we ronden af naar 10.000. Laten we nu afronden naar de dichtstbijzijnde honderdtal. Je zou hier nu al aan gewend moeten zijn. Naar het dichtstbijzijnde honderdtal. Wat is het honderdtal onder dit getal? Nou, dat is 9900. Wat is het honderdtal boven dit getal? Nou, als je 100 bij 9900 optelt krijg je weer 10.000. Dus hoe bepaal je nou of je naar boven of naar beneden afrond? We kijken nu niet meer naar de eenheden. We ronden nu af naar de dichtstbijzijnde honderdtal. Om dat te doen, kijken we naar 1 plaats naar rechts, wat de tientallen zijn. Als het 5 of hoger is, ronden we naar boven af. Als het lager is dan 5, ronden we af naar beneden. Het is 5 of hoger, dus we ronden alweer af naar boven naar 10.000. We hebben nog een getal, 8346. Het tiental daaronder is 8340. Het tiental daarboven is 8350. Als we gaan afronden naar het dichtstbijzijnde tiental, moeten we naar de eenheden kijken. Die is 5 of groter, dus ronden we naar boven af. Laten we afronden naar het dichtstbijzijnde honderdtal. 8346, het honderdtal hierboven is 8400. Het honderdtal hieronder is 8300. Bedenk dat we afronden in honderdtallen. Als we naar boven gaan afronden, wordt het honderdtal een 4. Als we naar beneden gaan afronden blijft het honderdtal een 3. gevolgd door nullen. Als we willen afronden naar het dichtstbijzijnde honderdtal, moeten we kijken naar de tientallen. Het tiental is hier lager dan 5, dus ronden we af naar beneden, naar 8300. Bedenk weer, wanneer we afronden naar het dichtstbijzijnde tiental, ronden we af naar boven, naar 8350. Als we afronden naar het dichtstbijzijnde honderdtal, ronden we naar beneden af, naar 8300.