Hoofdmenu
Huidige tijd:0:00Totale duur:2:17

Videotranscript

Zet deze video even stil, En zoek uit wat 27 plus 1 is, en zoek uit wat 27 plus 10 is. Goed, nu gaan we het samen doen. Misschien vond je dit makkelijk. Je dacht misschien: "ok, als ik er 1 bij optel, dan krijg ik gewoon het volgende getal na 27. Ik ga naar 28 als ik er eentje meer heb." Maar de reden waarin ik deze oefening doe, is om plaatswaarde uit te leggen. Neem het getal 27. We hebben een 2 bij de tientallen. Deze staat hier op de plek van de tientallen, en we hebben een 7 op de plek van de eenheden. Je kan het getal 27 dus zien als 2 tientallen, en ik heb twee groepjes van 10 hier, en daarbij 7 eenheden, en ik heb hier 7 eenheden. Als ik er dan 1 bij optel, dat betekent 1 van die eenheden, wat krijg ik dan tenslotte? Nou, ik heb nog steeds twee tientallen, nog steeds twee tientallen, maar hoeveel eenheden krijg ik dan? 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 eenheden. Dus dat wordt 28. Misschien is dat niet verrassend, maar is goed om na te denken over plaatswaarde, want dit is erg handig als we later meer rekensommen doen. Laten we nu hetzelfde doen met 27 plus 10. We zeiden al: 27, dat is twee tientallen en 7 eenheden, maar in 10 staat de 1 niet bij de eenheden, dus geeft dit niet gewoon 1 aan, maar staat de 1 bij de tientallen, dus hebben we 1 tien en 0 eenheden. Dus krijgen we... Het getal 10 is gewoon één zo'n groepje van 10! Dus als je deze bij elkaar optelt, wat krijg je dan? Nou, dan krijg je 1, 2, 3 tientallen, je krijgt dan een 3 op de plek van de tientallen, en je houdt nog steeds... 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 eenheden. 7 eenheden. Let dus op, Als je hier een 1 bij optelt, dan verhoog je de eenheden met 1. En hier, als je 10 optelt, wat eigenlijk één tiental is, dan verhoog je niet de eenheden, maar verhoog je de tientallen.