Hoofdmenu
Huidige tijd:0:00Totale duur:5:44

Videotranscript

Stel je komt iemand op straat tegen die vraagt: "Snel!" "73 + "iets" is gelijk aan 57" Wat zou "iets" moeten zijn? Nou, dat kunnen we op verschillende manieren aanpakken. "Iets" is eigenlijk wat je moet optellen bij 57 om 73 te krijgen. Het is het verschil tussen 57 en 73. En je kan dit als volgt begrijpen: "Ik begin met 57" - en zo doe ik dat uit het hoofd - Ik begin bij 57, en dat tel ik getallen op die me mooie ronde getallen geven tot ik bij 73 ben. Ik begin dus bij 57, en dan zeg ik: "ik kom makkelijk bij 60 door 3 op te tellen" Dus daarmee krijg ik 60. En van 60 tot 73, daarvoor moet ik 13 optellen. Dat kan ik makkelijk uit mijn hoofd. Ik kan ook zeggen: "ik tel 10 op om tot 70 te komen." "En dan tel ik nog eens 3 op". Maar 60 + 13 kan ik uit mijn hoofd. Ja, dat wordt 73. Dus dit alles is 73. Wat heb ik nu bij 57 opgeteld om het gat te overbruggen? Ik telde 3 + 13 op. Ik telde dus 16 op. Dus 16 + 57 is gelijk aan 73. Nu zijn er ook andere manieren om dit aan te pakken. Je kan zeggen:"Kijk!" "Dit "iets" is het verschil tussen 73 en 57." Dus je kan dit schrijven als: 73 -57... is gelijk aan "iets". En dan krijg je hetzelfde getal. Dan krijg je 16. Er zijn verschillende manieren om dit te berekenen. Maar dit is de manier waarmee ik het uit mijn hoofd zou doen. Laten we nog een paar voorbeelden doen. Dit is gek genoeg erg leuk. Stel dat iemand anders je op straat aanspreekt en zegt: "Snel!" "94 min "iets" .... is gelijk aan 57." Dus de vraag is: "Wat moet ik van 94 aftrekken ... om 57 te krijgen?" Nou, dit kan ik op dezelfde manier doen. Deze keer trek ik af, waarbij ik steeds getallen aftrek ... die de rekensom in mijn hoofd makkelijker maken. En dit is hoe ik het uit het hoofd doe: Ik begin bij 94 en dan trek ik 4 af om tot 90 te komen. Dus dat hier is 90. Eens kijken. Dan kan ik 20 aftrekken om tot 60 te komen. Ik wil niet lager uitkomen dan 57. Dus trek ik 20 af, 90 - 20. Oh, sorry. Ik trek 30 af om tot 60 te komen. Dus nu kan ik 30 aftrekken. Dus 90-30 wordt 60. En daarna van 60 naar 57, tamelijk eenvoudig. Ik moet gewoon nog eens 3 aftrekken. 60 min 3, dat wordt 57. Hoeveel heb ik nu afgetrokken? Ik heb 4, 30 en 3 afgetrokken. Eens kijken. Ik heb afgetrokken: dit is 34 .. 37. Ik heb 37 afgetrokken. Een andere manier om dit te doen is om te zeggen: "Kijk!" "37 is het verschil tussen 94 en 57" Dus zo kan je het ook begrijpen. Nou, als ik bij 57 begin, wat moet ik dan optellen om tot 94 te komen? En dan doe je het op dezelfde manier als in de opgave hiervoor. Je kan zeggen: ik tel 3 op dan kom ik tot 60. Dan tel ik 30 op en kom ik tot 90. En als ik dan nog eens 4 optel, krijg ik 94. Dus heb ik 37 opgeteld. Nu zijn er duidelijk ook andere manieren om dit te doen, vooral als je papier in de buurt hebt. Maar dit is hoe ik het uit het hoofd zou doen. als iemand me op straat aansprak en me vroeg zo'n som te doen. Laten we er nog eentje doen. Nog zo eentje. Waar heb ik wat lege ruimte over? Stel dat iemand vraagt: "36 = "iets" min 41", - 41. Dus hoe je dit kan begrijpen is: ze zeggen dat 36 het verschil is tussen "iets" en 41. een andere manier om dit te beschouwen: 36 + 41 = "iets". Dit kan je op een getallenlijn tekenen. Als het onlogisch lijkt dat ... deze twee beweringen hetzelfde zijn, dan maak je hier een getallenlijn, en dan zeggen ze: "Ok, "we beginnen met een onbekend getal." "we beginnen met een onbekend getal". Dat is ons "iets". "We trekken er 41 van af." "We trekken er 41 van af". "en dan komen we tot 36." Dus dit is precies hetzelfde als zeggen: "als we bij 36 beginnen, en we tellen 41 op" "dan krijgen we ons "iets" hier." Wat is 36 + 41 ? Laten we eerst de eenheden optellen. We hebben 6 eenheden plus 1 eenheid. Dat is 7 eenheden. En dan hebben we 3 tientallen + 4 tientallen, en dat is 7 tientallen: 77. Dit is 77. En dan zijn we klaar.