Hoofdmenu
Huidige tijd:0:00Totale duur:4:31

Videotranscript

Laten we eens oefenen met geld tellen! Hier heb ik 6 munten, en dit zijn Amerikaanse munten, we tellen Amerikaans geld in deze voorbeelden. Wat is deze eerste munt? Dit heet een quarter, of een kwart dollar. Die is dus 25 cent waard, en we kunnen 25 cent schrijven, maar ik laat het zo staan. Hier staat nog een quarter, dus die is ook 25 cent waard. Deze lijkt anders, maar het is gewoon de andere kant van deze munten. Zo ziet de andere kant eruit. Dus deze is ook 25 cent waard. Hier staan dus 3 quarters. Met welk bedrag komen deze drie quarters overeen? Nou, dat wordt 25 + 25, wat 50 is, plus 25, en dat wordt dus 75. Deze 3 quarters zijn dus 75 cent waard. En 100 cent is een dollar, dus dit is nog altijd minder dan 1 dollar. Maar we zijn nog niet klaar. Hier staat een nickel, en die is 5 cent waard, en dan hebben we hier nog een nickel. Die ziet er anders uit, maar het is gewoon ... de andere kant. Dit is kop, en dit is munt. Dus deze is ook 5 cent waard. Als je deze twee nickels optelt, dan wordt dat 10 cent. En tenslotte staat hier een penny. En dit is 1 cent. En hier staat 5 cent, en hier 1 cent. Deze hier is dus 1 cent waard. Wat is dus 75 + 10 + 1? Nou, 75 + 10 is 85, plus 1 is 86. Dus dit is gelijk aan 86 cent. En misschien ging het optellen wat te snel voor je: 25 ,50, 75 om in je hoofd te doen. 25 + 25 + 25 + 5 + 5 + 1. Je kan dit ook zo optellen. Wat krijg je dan? 5 + 5 = 10, + 5 =15, + 5 = 20, + 5 =25 + 1 = 26, dus dat zijn 2 tientallen en één 6. Zet de 2 tientallen hier. 2 + 2 = 4, 4 + 2 = 6, 6 + 2 = 8. Dus kan krijg je ook 86 cent. Laten we er eentje doen met nog meer munten. Hier gaan we. Wat hebben we hier? Dit hier is een quarter, dat wordt 25 cent. 25 cent, en dan hebben we er eentje die we nog niet gezien hebben in het voorbeeld hiervoor. We hebben 2 dimes. Een dime is 10 cent. We hebben dus 2 dimes, en elk van die dimes komt overeen met 10 cent. daarna hebben we 2 nickels, die hebben we al gezien. Die zijn elk 5 cent waard, dus 5 en 5. en dan hebben we 4 penny's: 1, 2, 3, 4. We kunnen elke penny apart zetten, of we zeggen: 4 penny's van elk 1 cent, dat wordt 4 cent. Laat ik dat zo doen. Dus 1, 2, 3, 4, dat wordt 4 cent. En daarna kunnen we gewoon alles optellen. 5 + 0 + 0 + 5 = 10, + 5 = 15, + 4 = 19. 19 is 1 tientalen en 9 eenheden. Dus zet ik een 1 bij de tientallen, 1 + 2 = 2, + 1 = 4, + 1 = 5. Dus dat is 5 tientallen. 5 tientallen en 9 eenheden, 59 cent dus. Dit hier samen is 59 cent. En let op, we hebben meer munten dan in het voorbeeld hiervoor, maar het is minder geld waard. Dat is omdat we veel munten hadden die niet zoveel waard zijn: deze vier penny's bijvoorbeeld. Terwijl we hiervoor wel 5 quarters hadden. En elk van deze quarters is gelijk aan 25 penny's. We kunnen dus een groter bedrag met minder munten maken.